Actualiteiten

Voorjaarsbemesting


Bemesten is tegenwoordig meer dan alleen mest uitrijden. Je hebt een doel.
Je wilt ruwvoer met een hoge droge stof opbrengst en met een goede eiwitkwaliteit. Maar ook wil je gras oogsten wat bij je totale rantsoen past. De koeien behalen een gewenst productieniveau en behouden hun gezondheid als het ruwvoer van optimale kwaliteit is!

Pas de bemesting aan op het gewenste rantsoen

Houd bij het bemesten rekening met wat je wil oogsten. Is je aandeel mais in het rantsoen laag? Dan moet je geen gras oogsten met een heel hoog eiwitgehalte. Zo zorg je voor de juiste verhouding in het rantsoen waarvan je straks wilt gaan voeren.
Is je aandeel mais hoger, dan moet je juist wel zorgen voor voldoende eiwit om zo voor de optimale verhouding te zorgen in het rantsoen.
Pas daarnaast ook je bemesting aan naar hoeveel je wil gaan oogsten van een bepaald perceel. Het is natuurlijk logisch dat je de stikstofgift aanpast naar de opbrengst met het gewenste eiwitgehalte. Voor een zware maaisnede van 3500-4000kg ds/ha geldt een andere stikstofadviesgift dan voor een weidesnede of voor zomerstalvoedering van rond de 2000 kg droge stof.
Als je overal hetzelfde bemest betekent dit dat óf het eiwitgehalte in de maaisnede te laag is, óf het weidegras te hoge eiwitgehaltes bevat wat de benutting benadeelt.

Eiwitkwaliteit

Wat in alle gevallen belangrijk is, is de eiwitkwaliteit van het gras wat je oogst. Dit wordt bepaald door de bemesting, maar zeker ook door het oogstmoment, het drogestof-percentage waarmee het gras de kuil in gaat en de conservering in de kuil. Het gras moet de juiste OEB-DVE verhouding hebben. Te veel OEB kan de koe niet benutten en kan zorgen voor een hoger ureum getal.
Om te beginnen zou je een putmonster kunnen nemen. Veel bemestingsadviezen gaan uit van forfaitaire gehalten in de drijfmest, maar in de praktijk kan de hoeveelheid stikstof per kuub drijfmest wel variëren van bijvoorbeeld 3,8 tot 4,9 kg N. Zo bemest je al snel een stuk meer of minder dan het advies.
Ditzelfde geldt voor kali gehalten in de mest, deze variëren ook sterk. Zo kan het maar zo zijn dat je zelfs bij de eerste snede al een kali tekort kunt hebben.

Maak een plan!

Kijk dus naar je voorraad, en plan wat én hoe je komend jaar wilt voeren. Reken van daaruit je bemestingsplan uit. Ook heeft de bodem veel invloed op de grasopbrengst. Kijk naar de bodemanalyse en bepaal van daaruit hoeveel je op een perceel eventueel moet bijsturen met de bemesting. Nadat je weet wat je drijfmestgift is, is het belangrijk om de puntjes op de i te zetten met de juiste kunstmestbemesting. In het voorjaar is toevoeging van zwavel belangrijk om de bodem op gang te helpen. Ook moet de kunstmestsoort passen bij je systeem. Hierin is stikstof beschikbaar in de vorm van nitraat, ammonium en ureum. Met de verschilde stikstofvormen kan je de beschikbaarheid van het stikstof beter aansluiten bij de behoefte van het gras en kun je uitspoel en vervluchtigingsverliezen voorkomen. Ook kan er gewerkt worden met een gedeelde gift, zorg er dan wel voor dat je op tijd bent met de eerste keer, om niet te dicht op het maaimoment uit te komen de tweede keer.

Niet te snel, maar wel op tijd!

Voor een goede eiwit kwaliteit en om de bodem op gang te brengen is het belangrijk dat de mestgift op tijd is. Maar bemest niet eerder dan de bodem aan kan. Bij voldoende draagkracht en een minimale temperatuur van 6⁰C in de bodem kan er vanaf 15 februari drijfmest worden uitgereden. Houd rekening met de tijd tussen het bemesten en oogsten. Bemest voor een goede eiwitkwaliteit 6 weken voor de 1e maaisnede, en minimaal 4 weken voor de 1e weidegang.

En tot slot; laten we hopen dat dit jaar het weer mee zit zodat we voldoende en goed ruwvoer kunnen verbouwen!

Als je hulp nodig hebt bij het bemestingsplan neem gerust contact op met onze bemestingsadviseurs Jasper te Winkel of Ronald Wolters!